|
Bij Oldebroek alle wegen afgezet. De brug van Katerveer is weer
gemaakt, de stukken boog van de oude brug liggen langs de oever. Op het
stationsemplacement van Zwolle telde ik een paar kleine en drie groote
gebouwen die verwoest zijn, daaronder een uitgebrande locomotievenloods.
Ook stond er een verbrande trein. Een trein met kleine Fr. tanks ging
voorbij.
{vel 25}
Kwam om vijf uur in Assen aan; de bus naar Westerbork was reeds
vertrokken, maar nog altijd ging er, zooals van ouds, om half zes een
stoomtram naar Schoonloo. Vandaar de zoo wèlbekende doch thans door de
aangeplante bosschen geheel veranderde weg naar Elp. Klopte om kwart
over zeven op de deur van het Heidehuis en werd verwelkomd door de
kreet: "Nu is tante Nel toch werkelijk gekomen!"
's Avonds in de boerderij van Greetien en Hartman: oliebollenfeest ter
eere van Harms verjaardag. De kleine, warme boerenkeuken, bijna geheel
gevuld door de groote ronde tafel met bons allen er om heen. In het
midden de schaal met oliebollen, waar Andrée, die bij het fornuis stond
te bakken, telkens weer nieuwe voorraad op laadde. Het schelle licht van
de onbedekte electrische lamp, die fel de vriendelijke gezichten
bescheen: "Nou moet juffer Nelly vertellen hoe of 't in Groesbeek
was met het begin van de oorlog en wat ze allemaal verder in Holland en
zoo gezien heeft."
Juffer Nelly vertelde van Mook en Grebbeberg, van verraad en dappere
verdediging, van het onwankelbare vertrouwen in hel Holland, dat we ze
er eens wel uit zullen gooien en toen kwam ook langzamerhand de zoon
Roelf aan 't praten. Moeilijk, met horten en stooten. Het onbewogen,
Drentsche gezicht met de lichtende oogen strak op mij gericht, als
vergemakkelijkte dit hem het spreken. Bijna verbrak Andrée met een paar
vlugge opmerkingen de draad van het verhaal, doch Victor, het gevaar
beseffende, dat in het verstoren van de stemming zou liggen, bracht zijn
moeder tot zwijgen en geduldig wachtten wij bij iedere rustpoos totdat
Roelf zelf zijn gedachten en herinneringen weer in woorden had gebracht.
Voor hemzelf een bevrijding om eindelijk over de vreeselijke
belevenissen te kunnen spreken. Greetien zeide zachtjes voor zich heen:
"Je hebt ons nooit alles verteld, zooals nu."
Roelf lag bij 't vliegveld van Valkenburg. Op 10 Mei werden ze gewekt
door parachutisten die hen beschoten. Het neerkomen van die
parachutisten was een vreeselijk gezicht geweest, als een ontzettende
droom. Ze kwamen overal tegelijk uit de lucht vallen en R. vertelde
zelfs van een klein paard en wagentje dat met behulp van een parachute
nederdaalde.
Twee dagen lang hadden ze tegen de Duitschers gevochten, nu in de
duinen, dan op de weiden en bollenvelden of in huizen. Geheel het dorp
is verwoest, het oude kerkje op de hoogte in 't midden uitgebrand. De
baas van de steenfabriek aan de Rijn - waar het veerbootje lag waarmede
we ons altijd lieten overzetten - was een Duitscher. Donderdag 9 Mei had
hij al zijn werkvolk naar huis gestuurd "voor de
Pinksterdagen" en hadden zijn D. handlangers het fabrieksterrein
bezet.
Roelf kreeg een geweerschot dwars over de borst, dat
{vel 26}
enkel zijn jas verscheurde. Later werd hij door granaatsplinters aan
slaap, wang en schouder gewond, zijn buurman werd er door gedood:
"hij lag tenminste zoo ineens in elkaar." Ten slotte werden
Roelf en zijn kameraden omsingeld in een verlaten boerderij waar ze
onderdak voor de nacht hadden gezocht, waarop zij zich over hebben
gegeven. Twee dagen lang hebben de Duitschers hun gevangenen granaten
laten versjouwen, gedeeltelijk door de sloten heen. De gewonden werden
niet verbonden en ook werd hen niets ten eten gegeven. Ten laatste sloot
men hen in een boerderij op, waar ze tot hun vreugde in de kelder wat
aardappels vonden, die met schil en al gekookt en opgegeten werden:
"want we waren uitgehongerd nadat we in vijf dagen niet gegeten
hadden." Moeder Greetien kon zich een honger die de schillen van
aardappels mee at, niet voorstellen.
|