Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 11 - 16 juli 1940 slot
anders verlaagt men zichzelf tot het peil van den
trouwelooze. Zelf officierskind zijnde, kon ik mij daar geheel mee
vereenigen, hoe veel het mij ook kostte, afstand van mijn lieven Man te
doen. Nu weet ik wel, dat ik hem misschien hier had kunnen houden, dat
hij wellicht toch geteekend had, wanneer ik was gaan jammeren, wanneer
ik had gezegd: 'Ik kan niet buiten je en de kinderen mogen hun vader
niet missen.' Maar dat heb ik niet willen dien. Als ik hem tot teekenen
genoopt had, weet ik, dat die afgedwongen belofte hem zijn leven lang
als een steen op het hart zou hebben gelegen. Wij zijn jaren lang zoo
gelukkig samen geweest; meer mag ik niet verlangen en ik moet er mij bij
neerleggen, dat nu het verdriet en de zorg komen. Hij kan met opgeheven
hoofd zijn lot tegemoet gaan. Geve God, dat het niet te zwaar zal wezen;
geve god hem de kracht om alles te dragen, wat er ook komen zal. En aan
ons ..... om van gedachten te wisselen en te overleggen. Wij begrepen, dat mijn
Man na zijn weigering natuurlijk ieder oogenblik weggevoerd kon worden
en dadelijk hebben wij dan ook bijeengezocht wat hij in zijn
krijgsgevangenschap het meest noodig zou hebben. Twee valiezen pakten
wij in, die hij gemakkelijk zelf kon dragen en dan nog zoodanig dat hij
desnoods het eene met extra dingen achter kon laten, ingeval de bagage
tot een enkel stuk beperkt werd. Wij maakten voor hem in orde het
zeemleren vest, dat mijn grootvader op zijn reis naar de Pool gebruikt
heeft en dat wij altijd bewaarden als een merkwaardigheid, weinig
denkende dat het nog eens van pas zou komen. Verder enkele stellen
warme, sterke kleeren; wellicht dat ze jaren zullen moeten dienen.
Naaigerei en een paar dingen om de geest bezig te houden. Hij houdt
zooveel van teekenen: zijn schetsboek. Een paar boeken voor zijn
Itali-aansche studie. En zijn Bijbel, die heb ik hem zelf
gegeven....." Een oogenblik was het haar niet mogelijk om door te
spreken, doch al spoedig ging de dappere vrouw verder "De
gevangenschap kan best meevallen. Als ze in elkanders gezelschap mogen
wezen, dan brengt toch ieder iets aan om den tijd te korten en ze kunnen
hun gedachten uitwisselen. Ook zullen wij elkaar wel af en toe mogen
schrijven. Een geluk is het, dat mijn Man weinig materiele behoeften
heeft en dus op dat punt veel zal kunnen ontberen, zonder dat het heem
deert. Een goed diner en een mooie tafel stelde hij wel op prijs, doch
een eenvoudig maal was hem even lief, als er maar groente en vruchten
bij waren. Wellicht dat hij zich dit laatste nu zal moeten afwennen.
Doch het is mij eengerustheid, dat hij een ijzersterke gezondheid heeft. {Einde tekst 40F}
|